Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vele van deze bijzonderheden las ik heden in de »Ethnologische Studie« over de Tenggereezen van den heer J. H. F. Kohlbrugge, die hier lang verblijf hield. Dus leerde ik beter begrijpen, wat ik gezien en gehoord had.

Toen ik terugkwam, achter den stoet aan, was de nevel even weggetrokken in het Zuiden-Oosten en zagen wij den Bromo (Brama) — die gisteren een uitbarsting had, welke ik in den nacht hoorde en die den grond zacht dreunen deed — een grijze spiraal rook en damp opstooten, terwijl verder westelijk de Smeroe een ontzettende geel-witte wolk opwierp met rukken, tot ze een paar duizend voet hoog boven den berg vast lag.

Deze vulkanen zijn de machtigen die de ziel van het volk en zijn verbeelding beheerschen. Naar den Bromo richt ieder het oog. Daarheen trekken de zielen der overledenen. En daarom wordt op het groote doodenfeest een geit geslacht. Het vleesch wordt den doekoen gegeven, maar beenderen en ingewanden worden bewaard in de huid, want de geit is het rijdier der zielen... op de geit stijgt de ziel van den overledene naar den Bromo-hemel. En de priester bidt dat zijn geest soms verschijnen moge aan zijn dierbaren en nakomelingen en roept aan de geesten Betoro Bromo, Betoro Wisnoe, Betoro Sjiwa en Betoro Seworo.

Voorwaar, de godsdienst der Hindoes, die Java zoolang overheerschten, leeft hier nog in de bergen.... en 't is een godsdienst, die, naar al wat ik hoor en opmerk, meer overeenkomt met de bezieling die uitgaat van deze geduchte natuurmachten, dan het Mahomedanisme.

De bevallige, vriendelijke vrouw van den dokter ging ons straks op den weg voorby.

— «Mevrouw, wat zeide de oude Tenggerees toch tot u?«

Ze zeide glimlachend:

— »Ik vroeg hem: »Welken godsdienst belijdt ge?«

— »De Mohammedaansche!«

Sluiten