Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er bestaat nu in Holland geneigdheid de jongelui van het Binn. Best. rechtskundig te ontwikkelen.... terwyl(o, jammer!) inlandsche talen veel meer bijzaak zyn geworden. Dit betreurde de controleur met wien ik sprak, zeer diep.

Lieden van karakter, flinke beschaafde mannen met kennis van talen of met lust tot het aanleeren van inlandsche talen, die moeten wij hebben, zeide hy; in alles moet de bestuursambtenaar de voorganger zyn.

Ja, jongens, flinke jongelui moet het vaderland hebben; mannen die handelen kunnen in de moeilyke oogenblikken' welke bestuursambtenaren soms doorleven, oogenblikken, waarin raadslieden ver zyn, waarin het geheel aankomt op dien eenen Hollander, op zyn houding, zyn woorden, zyn overwicht!

Hoe dikwijls zijn die oogenblikken niet gevaarlyk, en heeft de bestuursambtenaar in zijn hand landsbelangen van het uiterste gewicht.

Is het niet mooi en goed een volk door onderwijs, door verbetering van veestapel, cultures enz. vooruit te zien gaan ?

Is het niet een heerlyke arbeid, uitgestrekte droogliggende gronden te bevloeien, dus honger en armoede te verdry ven?

Is het niet mannenwerk des vredes om rust, veiligheid, orde te stichten en te bewaren, recht te doen, wegen aan te leggen en bruggen te bouwen, waardoor het verkeer en de welvaart worden bevorderd?

Is het, om kort te gaan, niet een verheven en gezegend ambt, waarin men de macht heeft oneindig goed te doen; is het niet een grootsch mannelyk werk, door eigen kracht en flinkheid een volk tot zegen te strekken?

»Maar«, zal menigeen tegenwerpen, »het kan zoo ontzettend eenzaam zyn, men komt op plaatsen, waar men jaren blyft en waar men de eenige Europeaan is!«

Daarom vroeg myn vriend de controleur- »Hebt gy lief-

Sluiten