Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de afdeel ingen der Tweede Kamer er op gewezen, hoe de verklaring der regeering, ten aanzien der uitdrukking „ wettig bestaande ligchamen" vroeger bij de openbare beraadslaging in de Tweede Kamer afgelegd, in strijd was met de in de Eerste Kamer gegeven uitlegging, volgens welke rechtspersoonlijkheid voor het recht van petitie de noodzakelijke voorwaarde was. — In voldoening aan den in het betrekkelijk kamerverslag uitgesproken wensch om eene nadere verklaring, zegt de regeering in eene nota van antwoord:

„ Verboden vereenigingen, alsmede die vereenigingen . welke eene bij de wet gevorderde erkenning missen, kunnen volgens art. 8 (nieuw) het recht van petitie niet uitoefenen. Met wettig bestaande zedelijke lichamen zijn in de Grondwet bedoeld: lu die wettelijk samengesteld zijn; 2° die door de wet of door den Koning erkend zijn; 3" die volgens de wet geen erkenning behoeven om een wettig bestaan te hebben."

Deze opsomming sub lu, 2° en 3° is dus van geheel denzelfden inhoud als hierboven in de Mem. van Antwoord aan de Eerste Kamer, doch opgemerkt moet worden dat door de regeering thans van wettig bestaande zedelijke lichamen gesproken wordt. Onmiskenbaar beschouwt de regeering rechtspersoonlijkheid als voorwaarde; dit lijdt geen twijfel; doch waartoe dan de aanduiding van drie categorieen ? •

Het gebruik der woorden zedelijke lichamen, eene uitdrukking die de Grondwet niet kent, is in overeenstemming met de verwarring brengende discussie in 1848 over art. 9, zooals men die weergegeven vindt bij prof. Buys, die. geen licht maar slechts duisterheid vindende in de gevoerde beraadslagingen, den zin van het artikel los hiervan nagaat en dan tot deze oplossing komt, m. i. terecht, dat alle vereenigingen welke niet behooren tot de met de openbare orde strijdige en dus verbodene, aanspraak kunnen maken op het recht dat art. 9 (oud) toekent. En thans, na de grondwetsherziening van 1887 is er geen aanleiding art. 8 anders te verstaan, ook volgens Mr. Buys niet ').

1) Grondwet, I. blz. 79, III, blz. 29.

Sluiten