Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Egypteland beschreven worden, is het een armzalige critiek, tegenspraak in de berichten te willen ontdekken, omdat men de eene maal leest: „Ook sloeg de hagel al het kruid des velds en verbrak al het geboomte des velds", en er niettemin in een volgende paragraaf gedreigd wordt, dat de sprinkhanen „zullen afeten het overige van hetgeen ontkomen is, hetgeen ulieden overgebleven was van den hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat ulieden uit het veld voortkomt." En toch zou het aan den anderen kant even foutief zijn, deze berichten te veronachtzamen en ze voor te stellen als doelende op rampen van geringe beteekenis.

Het is noodzakelijk dit een en ander vooraf op te merken, op gevaar af van in herhaling te vallen. Want daardoor snijden we van meetaf den pas af aan die vitterige critiek op de geschiedenis des Bijbels, die eerst een eigen Schriftverklaring geeft, geheel buiten aanmerking van de gebezigde spreekwijzen, om dan tegelijk met de verwerping dier verklaring ook het Bijbelsch verhaal zelf als onaannemelijk voor te stellen. Daar doen wij niet aan mee. Wij weigeren de wijsheid te eerbiedigen van verklaarders, hoe geleerd ze ook wezen mogen, die aan de taal des gewonen dagelijkschen levens de beteekenis opdringen van de woorden uit een zorgvuldig opgesteld wetenschappelijk stuk.

Hetgeen de Schrift ons mededeelt aangaande Israels verblijf in Egypte verplaatst ons in de sfeer vangeschiedkundige werkelijkheid.

Het verdient onze opmerking, dat de zevenjarige hongersnood uit Jozefs tijd volstrekt geen op zichzelf staande gebeurtenis is in «de geschiedenis van Egypteland. Een inscriptie, die men vond op een eiland dicht bij den eersten waterval tusschen Assouan en Philae, waarschijnlijk afkomstig uit de derde eeuw vóór Chr., beschrijft een hongersnood, die plaatsgreep omtrent 3000 jaar vóór Chr., en zijn oorzaak vond in opeenvolgende jaren van lagen waterstand. ')

l) Brugsch, »Geschiedenis van Egypte", I, 304.

Sluiten