Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanneemt dat de heetste zelfstandigheden er door worden saamgeperst tot een vaste massa. Nochtans stemmen alle deskundigen toe, dat er, ongeveer vijftig mijl beneden de oppervlakte der aarde, een ring van stoffen moet zijn, van onbepaalde dikte, die in een genoegzaam half-veerkrachtigen toestand verkeert, om zich te kunnen schikken naar veranderingen tengevolge van vermindering of vermeerdering van het op de oppervlakte rustende gewicht. Op deze gesmolten massa rust de aardkorst in een toestand van evenwicht, die voortdurend aan verstoring blootstaat. Den omvang van de stoornissen, waaraan dit evenwicht blootstaat, kan men afmeten naar de feiten, waarop we reeds wezen, die plaats gehad hebben in de verhooging van de vastelanden en de inzinking der oceaanbeddingen, en naar de veranderingen, welke herhaaldelijk in deze verhoogingen zijn voorgekomen, gelijk de geschiedenis der geologie ons dit leert.

Het schijnt inderdaad, dat de hoogte der bergen begrensd wordt door de krachten, die het evenwicht van de oppervlakte der aarde bewaren. De bergen zouden boven een zekere hoogte niet in stand kunnen blijven, zonder „den lagen boog van de aardkorst" te overladen, zoodat ze zou wegzinken in de half-veerkrachtige massa daarbeneden. Kortom, de aardkorst gelijkt op een schipbrug; hoe meer men haar aan het eene einde belast, des te hooger rijst ze aan het andere.

Dit brengt ons tot het eigenlijke punt, dat we hier wenschen te behandelen. Het evenwicht van de aardkorst is zoo gevoelig voor verstoring, dat men gerust mag aannemen dat de storingen, door den ijstijd teweeggebracht, tijdelijk zulk een abnormale onstandvastigheid in de verhoudingen hebben veroorzaakt, dat het verhaal van den zondvloed, mits redelijk verklaard, uit een geologisch oogpunt gezien, a priori ons niet voor grooter onwaarschijnheden plaatst, dan eenig ander groot feit uit de geologische geschiedenis.

Sluiten