Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de landstreek aanwijst. Het westelijk gedeelte wordt ingenomen door het bekken van de Tarimrivier, die uitmondt in Lob Nor. Dit bekken is omringd door de Tien-Sjan-bergen ten noorden, en het gebergte van Tibet ten zuiden, verscheidene van wier toppen meer dan twintig duizend voet zich boven den zeespiegel verheffen. Onze kennis van de algemeene verheffing van dit bekken is nog zeer onvolkomen, maar wij weten dat Turfan, dat ongeveer in het centrum ligt, honderd vijftig voet beneden de zee is gelegen; terwijl de algemeene hoogte zeker veel lager is dan die van de Dzjoengaarsche inzinking, welke op dit punt de waterscheiding vormt tusschen het bedoelde bekken en de vlakte van noordelijk Siberië.

Ten aanzien van dit onmetelijk binnenbekken, evenals ten aanzien van de Aral-Kaspische inzinking, zijn de bewijzen overvloedig aanwezig, dat het vroeger onder water moet gestaan hebben. Dooide geheele tertiaire periode heen was deze zee veel grooter in omvang dan de Middellandsche Zee, en ze stond in verbindingmet den noordelijken oceaan door wat thans de Dzjoengaarsche inzinking is, op dezelfde manier als de Middellandsche Zee met den Atlantischen Oceaan door de Straat van Gibraltar. Maar door een trapsgewijze rijzing van het land werd de zee van den oceaan gescheiden, en door een enorme verdamping zijn de wateren langzamerhand verdwenen, totdat er thans slechts enkele onbeduidende meren zijn overgebleven, waarvan de grootte wisselt naar gelang van het jaargetijde.

Dat echter deze watermassa in aanmerkelijke afmetingen nog aanwezig was in recente tijden, toonen de toespelingen er op van Chineesche geschiedschrijvers, die ze aanwijzen met den naam Han Hai.

Ook is er menig bewijs van het voormalig bestaan van bloeiende steden op onderscheidene punten in de woestijn, waar nu van watertoevoer geen sprake is, en waar onder de heuvels

Sluiten