Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Midden-Azië werd aangetroffen door J. Stadling*) nabij de Lena en tien mijlen achterwaarts. Daar vond hij, zeshonderd voet boven de zee, „in een aardlaag, die was samengesteld uit veen en leem met zand vermengd, en rustende op een fundament van vast ijs zoo helder en blauw als staal en van onbekende diepte, groote hoeveelheden drijfhout, blijkbaar door de rivier omlaag gevoerd in de lang vervlogen tijden, toen ze hier haar bedding vond."

Nog een ander geval (dat ik elders heb beschreven) *) treft men aan in den Darielpas aan den noordelijken kant van het Kaukasusgebergte, waar uitgestrekte rivier-afzettingen zijn, welker geaardheid wijst op een groote verandering in de betrekkelijke hoogte van het ravijn in nog kort geleden tijden.

Dit bewijs erlangt ook bevestiging in het rapport van Prof. John J. Stevenson over recente veranderingen in de hoogte van Spitzbergen. De feiten komen hierop neer, dat er tegen het eind van de tertiaire periode blijkbaar een snelle landrijzing plaats had, mogelijk wel tot een hoogte van vier duizend voet, welke rijzing gevolgd werd door een inzinking van nog grooter omvang; terwijl nu het land langzaam zijn oorspronkelijke hoogte herneemt. Omhoog gerezen terrassen en zandige zeeoevers van recenten oorsprong getuigen dit op vele plaatsen.3)

Al deze dingen wijzen op het feit, dat er bij de groote wereldbewegingen , die het laatste deel der tertiaire periode en geheel den ijstijd kenmerken, een korte inzinking geweest is van het Aziatische vasteland. Misschien was Midden-Azië daarbij met noordwestelijk Europa en noordoostelijk Amerika in een golvende beweging, zoodat het eene omhoog rees, terwijl het andere daalde.

') «Door Siberië", blz. 161.

2) Quarterly Journal of the Geological Society, Deel LV1I, blz. 249.

3) Zie het artikel »Nieu\vere geologie van Spitzbergen" in het Journal of Geology, Deel XIII, blz. 6x1—616.

Sluiten