Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lachend, „maar dat is het juist wat de anti-semitische hoofdstukken zoo onbevredigend maakt."

„Dat hebben we allemaal gevoeld, al konden we het met zoo knap analyseeren," zei de gastvrouw.

„Ja," zei mevrouw Montagu Samuels.

„Precies," zei Sidney goedig. „Ik zou het rooskleurige van de schildering hebben kunnen vergeven, indien ze artistieker ware uitgevoerd."

„Rooskleurig!" zei mevrouw Henry Goldsmith verbaasd.

Rooskleurig! Neen, maar! Zelfs de autoriteit van Sidney kon de gasten daarvan niet overtuigen.

Arme, rijke Joden! De hoogere middenstand had alle reden om boos te zijn. Zij wisten dat zij beste menschen waren, wel opgevoed, bereisd, belangstellend in liefdadige werken (zoowel Joodsche als Christelijke), volksconcerten, huisbezoeken, nieuwe romans, tijdschriften, leesinrichtingen, opera's, symphonieën, politiek, regimenten van vrijwilligere, openbare feestmalen. Zij wisten dat zij zonen hadden, die te Rugby en Oxford studeerden, en dochters, die speelden, schilderden en zongen; dat hun huizen vroolijke oasen waren van optimisme in een vermoeide maatschappij; dat ze goede liberalen en Tories waren, bij hun plichten als Engelschen de zorg voor de beste belangen van het Judaïsme voegend; dat zij geen steen onaangeroerd lieten om zich zelf vrij te maken van de eeuwenlange slavernij van het vooroordeel. En zij vonden het bitter hard, dat hun eigen novellisten altijd een klein ordinair troepje koos, terwijl hun streven, om den toon van de Joodsche samenleving te verheffen, werd

genegeerd. . ..

Sidney, die in gesprekken altijd den indruk gaf, dat hij niets had uitstaan met zijn ras, zoodat de geesel van zijn sarcasme dikwijls zijn eigen zwakheden trof, ging voort zijn bewering te staven betreffende het rooskleurige in Mordecai Josephs. Volgens hem had de moderne Engelsche Jood in het geheel geen godsdienst. Zijn geloof bestond uit vormen, die in het publiek moesten worden gehandhaafd;

Sluiten