Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XII.

EEN BUNDEL VERVOLGEN.

Nog geen half uur later zat Esther met een droevig lachje thee te drinken uit Debby's eigen kopje, tot Debby's onbegrensde voldoening. Debby had geen kopje over, maar zij had een stoel over zonder leuning. Natuurlijk zat Esther op den andere. Haar muts en mantel lagen op bed.

„En waar is Bobby?" vroeg de bezoekster.

Debby's blij gelaat betrok.

„Bobby is dood," zeide hij zachtjes; „hij stierf, Sjewouos (Pinksteren) wordt het vier jaar."

„Och, dat spijt me," zeide Esther; zij hield even op met haar thee en was werkelijk aangedaan. „In den beginne was ik bang voor hem, maar toen kende ik hem nog niet."

„Beter schepsel was er nooit op Gods aardbodem," zeide Debby met nadruk, „hij zou geen vlieg kwaad hebben kunnen doen."

Esther had Bobby dikwijls naar vliegen zien happen, maar haar gelaat vertrok zich niet.

„Ik heb hem stilletjes op de achterplaats begraven," bekende Debby; „zie, daar waar de steen los is."

Om haar pleizier te doen keek Esther door het kleine raam, dat achter uitzag op de drassige ruimte, waar een wasch te drogen hing. Zij zag een kat kalmpjes over de plek sluipen, zonder iets van de voldoening die ze zou hebben gevoeld, had ze kunnen weten, dat ze over het graf van een erfelijken vijand liep.

*

Sluiten