Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deur, streng en rechtop. „Jij blijft hier Hanna, en jij Simche," sprak hij. In de gang werd zijn houding minder vast, zoodat de lange sneeuwwitte baard op zijn borst viel. De drie vrouwen keken elkander aan.

„Moeder," zeide Hanna, terwijl zij driftig de stilte verbrak, „zult u hier blijven, terwijl Levi in een vreemde stad op sterven ligt!"

„Mijn man wil het zoo," zeide de rebbeizeen snikkend. „Levi is een zondaar in Israël. Je vader wil hem niet zien, hij zal niet tot hem gaan voor hij dood is."

„O ja, dat zal hij wel," zeide Esther. „Maar wees bedaard, Levi is jong en sterk. Laat ons hopen dat hij er door zal komen."

„Neen, neen," kermde de rebbetzeen. „Hij zal sterven en mijn man zal alleen de psalmen lezen bij zijn doodbed. Hij zal hem geen vergiffenis schenken, hem niet van zijn moeder en zuster spreken."

„Laat mij gaan. Ik zal hem alles van u overbrengen," zeide Esther.

„Neen, neen," viel Hanna in de rede. „Wat ben jij voor hem? Waarom zou jij je voor ons aan de besmetting wagen?"

„Ga Hanna, maar stilletjes," zeide de rebbetzeen in een klagend gefluister. „Laat je vader je niet zien voor je er bent, dan zal hij je niet wegsturen. Zeg Levi dat ik — o mijn arm kind, mijn arm lam!" Snikken beletten haar verder te spreken.

„Neen, moeder," zeide Hanna bedaard, „u en ik zullen gaan. Ik zal vader zeggen dat we hem vergezellen."

Zij ging de kamer uit, terwijl de rebbetzeen schreiend en verschrikt in een stoel zonk en Esther te vergeefs trachtte haar te troosten. De rebbe was bezig een andere jas aan te trekken, toen Hanna aan de deur klopte en „vader" riep.

„Spreek er niet over, Hanna," zeide de rebbe ruw. „Het is vergeefsche moeite." Toen, alsof hij berouw had over zijn hardheid, deed hij de deur open en streek met zijn groote hand liefkoozend over haar haren. „Je bent een

Kleinkinderen Tan het Ghetto. '8

Sluiten