Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XVIII.

HOPEN EN DROOMEN.

De morgen van den Grooten Vastendag brak aan, grauw en koud. Alleen in het huis met de meid, dwaalde Esther van de eene kamer naar de andere in doffe ellende. De dag te voren was bijna een feestdag in het Ghetto geweest: iedereen had zich voor den volgenden dag gesterkt. Esther had bijna niets gegeten. Toch vastte zij nu en ze zou vasten, vier en twintig uren, totdat de avond viel. Zij wist niet waarom. Zij had nog nimmer een vasten gebroken en bij instinct kwam zij nu tegen het breken er van op. Zij had altijd gevast — zelfs de Henry Goldsmith's en grooter lui dan de Henry Goldsmith's vastten! Rechters en pairs, kampvechters en acteurs vastten. Toch dacht Esther, zooals zoovele veel vromer menschen, geen oogenblik aan haar zonden. Zij dacht aan alles behalve daaraan: aan de treurende familie in die vreemde provinciestad, aan haar eigen familie in dat vreemde verre land. Nu, zij zou spoedig bij hen zijn. Zij had reeds haar passage genomen — op het tusschendek, niet omdat ze niet voor de kajuit betalen kon, maar uit een ziekelijke aandrift zich met de armoede te vereenzelvigen. Dezelfde aandrift had haar een schip doen kiezen, waarmede een troep arme Joodsche emigranten naar het Verre Westen zou worden vervoerd. Zij dacht ook aan Debby, met wie zij den vorigen avond had doorgebracht, en aan Raphael Leon, die haar, aan het adres van haar

Sluiten