Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welks overmoedige vorst Auiiiziu het tot zij 11 sclmode heeft ondervonden, dat zijn rijk niet opgewassen was tegen het broederrijk in het Noorden, toen hij zelf gevangen genomen, zijne hoofdstad Jeruzalem gedeeltelijk ontmanteld, zijn tempel van schatten beroofd werd (2 Kon. 14:8—14). Israël is weer groot en machtig, Israël viert weer feest, zooals het vele jaren niet heeft kunnen doen. Feest is het te Bethel, te Gilgal, te Dan, op alle hoogten, bij alle altaren, waar een dankbaar volk zijn God eert, voor geen gevaar meer beducht maar hopende op nog heerlijker dingen, wanneer straks de dag van Jehova, de dag zijner wrake zal losbreken over al zijne en zijns volks vijanden. Feest is het te Samaria in de paleizen en elpenbeenen gebouwen, waar de weelde weer haar intocht heeft gedaan en men weer onbezorgd, onder het genot van de kostelijkste spijzen en fijnste wijnen, zich kan overgeven aan muziek en dans. (Amos 6 ; 1—6.) O, lang leve nog koning Jerobeam, de manhafte, die zijn volk weer heeft leeren feestvieren!

Maar wat zijn dat voor rauwe wanklanken, die plotseling, nog wel te Bethel, nog wel bij het koninklijke heiligdom, in de feestvreugde vallen? Hoort: „de hoogten van Izaak zullen verwoest, de heiligdommen van Israël in puin gelegd worden en tegen het huis van Jerobeam zal Ik opstaan met het zwaard. (Amos 7 :9.) Wie is de spelbreker die het waagt ons te storen? Wat drijft den onzinnige?

Sluiten