Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zefanja, die — het opschrift van zijn boek althans doet dit vermoeden — zelf tot de koninklijke familie behoorde, maar, ondanks de bedorven hoflucht waarin hij ademde, den zin voor de reine kennis van Jehova ongerept had weten te bewaren, — Zefanja begreep al te goed, dat er van de rijksgrooten geen verbetering te wachten viel.

Zoo leek Jeruzalem, voordat Jozia zich had aangegord tot zijne hervorming (2 Kon. 22 en 23), wel een heidensche stad. Van allerlei godsdienst stonden er altaren op hare hoogten, liepen er priesters door hare straten; op de daken der huizen wierpen ouders en kinderen zich op de knieën voor het heir des hemels: zon, maan en sterren; vooral was in de mode de dienst van de hemelkoningin, waarschijnlijk de avondster, die de Assyriërs als Istar vereerden. En bij deze afgoderij kwam nog het zedelijk tekort; het gemis van recht en waarheid, de geweldenarijen der grooten, de wetsverdraaiïng der rechters (3:3, 4). Genoeg om een man, aan wien zich de heerlijkheid van den levenden God had geopenbaard, met verontwaardiging te vervullen! Dit volk erkende die heerlijkheid niet; het vertrouwde niet op dien God, wachtte van Hem niet het heil (3: 2). Het vertrouwde — zoo deden velen — op den verworven rijkdom, op den bloeienden handel (4:11 v.v.); dit was toch maar de hoofdzaak, al wilden ze dan met zekere goedmoedige toegeeflijkheid: baat 't niet, 't schaadt

Sluiten