Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Zie Jez. 34; Jer 49:7 v.v.; Klaagl. 4 : 21,22; Ezech. 25:12 v.v., 35:2 v.v.; Joël 3:19; Psalm 137:7.) Het nationaal bewustzijn van het diep vernederde Israël richt zich op onder de krenking en balt de vuist. Machteloos is wel op het oogenblik die vuist, maar tot God in den hemel wordt zij opgeheven, opdat Hij haar gedenke en helpe.

In deze dagen verplaatst ons ook het geschrift van Obadja. En in denzelfden toon hooren wij hem spreken. Hij ook zegt Edom het oordeel aan: de verwoesting komt en niets zal Edom kunnen redden noch zijn schier ongenaakbare rotswoningen, noch zijn van ouds befaamde wijsheid, noch zijn heldental' Dan zullen de rollen omgekeerd ziin: dan ligt de berg Sion daar veilig, als een welverzekerde heiligheid, en Israël heeft zijn erfdeel weder terug, en dan — Wee u, gij roofziek Edom! — dan gaat uit ons midden het vuur uit, 't welk uw huis zal verteren, dan zullen onze kinderen uwe steden in bezit nemen, dan zullen voor ons de redders dagen, die uw gebergte gaan richten! Beef, o Edom, tegen dien dag!

Hoe kunnen wij, na een ervaring als ik boven schetste, dezen toon begrijpen! Hoe echt menschelijk klinkt hij! Maar — en die vraag keert in het O. T. zoo dikwijls terug, ook bv. bij de zoogenaamde „vloekpsalmen" als Ps. 09 : 23 v.v., 109 : 6 v.v., enz. maar wat is hier het „goddelijke", dat wij toch

Sluiten