Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewaard. Het Jodendom, dat vergeten heeft waartoe het uitverkoren is, n.1. om „te zijn een licht der heidenen, Gods heil tot aan het einde der aarde," dat den zegen Abrahams voor zichzelf alleen wil houden, maar niet dien zegen wil dragen de wereld in.

Voor die zelfverheffing, die de anderen uitsluit van het heil, van de genade Gods, voor dien geestelijken hoogmoed waarschuwt de dichter van ons boek Jona zijne tijdgenooten. Ook in het hart der heidenen woont nog wel vreeze Gods, en ook hun behoudenis gaat den hoogen God ter harte, — zoo herinnert hij hen.

Mij dunkt, die herinnering mag ook een Christen hooren. Ook nu nog, ja juist nu in onze dagen! Men spreekt veel over de „antithese," men legt nadruk op het principieel verschil tusschen Christendom en wereld, men waarschuwt tegen „verflauwing der grenzen." Zeker, die waarschuwing heeft haar recht. Wij moeten weten wie wij zijn, wij moeten ons karakter bewaren, wij mogen niet der wereld gelijkvormig worden.

Maar .... hij, die deze dingen zegt, hij mag wel hebben een hart vol ootmoed en vol lief del Vol ootmoed! Anders gaan wij roemen op ons zelf en meenen, dat bij ons alles licht is en aan de andere zijde der grens alles donkerheid! En vol liefde! Anders wordt de toon waarop wij spreken over den „wereldling," den „ongeloovige," koud en hard,

Sluiten