Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze psalm, zooals men uit de twee eerste verzen kan ontwaren, is gericht tot de vorsten der aarde hen vermanende, om den gezalfden koning David te huldigen ne hun toeroept. „De Heere sprak tot mij," tot David en geen ander, „mijn zoon zijt gij, heden heb ik u voortgebracht, i.e. heden heb ik u tot koning aangesteld, aar God Israël „Zijn eerstgeborene" noemt (Ex. 4: 22)

is het volstrekt niet vreemd, dat David van deze eervolle onderscheiding, aan zijn volk bewezen, gebruik maakt en dit op zich zeiven toepast, aangezien hij als ïun koning daartoe voornamelijk gerechtigd was S 76 Aangaande de uitdrukking: „Huldigt den zoon, want zijn toorn is zoo spoedig ontvlamd," waarvoor de Statenïjbel echter vertaalt: wanneer zijn toorn maar een weims: zou ontbranden, ' ziet men duidelijk het groote verschil in deze overzetting, hetwelk daaraan eene geheel andere eteekenis geeft In den oorspronkelijken tekst vindt men het woordje p kie, dat hier bepaald het aanwijzend voegwoord „want is, daar het de oorzaak aanwijst van wat voorafgaat, i. e. de toorn des konings," en zulk een „edrag stemt overeen met een koning, die in zijn geschrift. ontzag voor zijne heerschappij eischt, wat naar onze meening, met het zachtzinnig en nederig karakter van Jezus niet overeenstemt Dit denkbeeld is zelfs nog krachtiger uitgedrukt in vers 9: „Verpletter hen (David s vijanden) met een ijzeren staf, verbreek hen als pottenakkers vaatwerk. ' In den eersten psalm spreekt David van zich zelf, als den godvreezenden man, en in dezen tweeden psalm, als den gezalfden koning, den uitverkorene des 1 leeren. den gekroonden zoon; en beide psalmen dienen daarom tot inleiding van het boek naar I )avid genoemd.

XVVaiTtS' honden *ta.tf'nbijbe!: Ps- 22: 17- Ilebr. Vertaling,

nnvin ih hündtn hebben my „Want honden omgeven mH

C\"e v,cr«adcrln« der een rot van booswichten om.'

züh°,Z'nS m'J omgeven, ringt mij, als een leeuw Z-

voeten doorgraven.' S^d| -

Leest met aandacht dezen langen psalm, van het begin tot het einde, met den aanhef: „Mijn God. mijn God waarom verlaat gij mij? W aarom zijt gij ver van mijne hulp, van mijn klaaggeschrei? Mijn God, ik roep des

3

Sluiten