Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bovendien zal het bij ernstig onderzoek en vergelijking wel duidelijk worden, dat er onderscheid is tusschen den „knecht des Heeren" en het volk Israël als eenheid gedacht, ook uit Jes. 42. Die ernstige berisping in 't verband komt weinig overeen met den hooggestemden aanhef van dit hoofdstuk. Ik zie hoegenaamd geene gelijkenis tusschen het doorgaand karakter van het Israëlietisclie Volk, zelfs niet bij het best gezinde gedeelte en de geaardheid van den hier geschetsten persoon, al stem ik toe, dat Israël ook Gods uitverkoren volk is geweest, uit alle volken der wereld. Er wordt duidelijk onderscheid gemaakt tusschen Israël en den „knecht des Heeren" in hoofdst. 49: 5 en 6, en nog eens Jes. 53: 8.

Hoe men ook heeft beproefd het Israëlietische volk of bijzondere personen : Josaja, Hizkaja, Uzzaja of ook Cyrus in dit profetisch kleed te wikkelen, § 4, men zal terstond bemerken dat het wel aan Jezus van Nazareth past, maar aan niet één van die anderen, en wat voor u zeker nog al wat bet eekenen zal, is het gezegde van een joodsch geleerde (Abarbanel), die spreekt tot de uitleggers, die weigeren in den „knecht des Heeren" bij Jesaja den Christus te zien: „zij zijn met blindheid geslagen." Ik zou zeggen : op een dwaalspoor geraakt.

TWEEDE BRIEF.

In uw stuk „verdediging is geen aanval," stelt gij twee punten, le. het Messias-denkbeeld der profeten volgens het O. T. en 2e. de verkeerde aanhalingen uit het O T. en valsch begrip aangaande het Joodsch geloof, die men in het N. T vindt.

Naar aanleiding van den naam Messias n©C, behandelt gij de verschillende zalvingen onder Israël en vraagt dan : „met welk recht kan Jezus zich als afstammeling uit David's huis doen gelden, en wanneer is hij gezalfd ?"

Toen lezus te Nazareth in de Synagoga optrad, las

Sluiten