Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

F Iebr. hoofdst. 7. — Hierin wordt va c het zoenoffer van Jezus gesproken § 47 en gij brengt daarmede in verband, dat van den groot-verzoendag § 48. Wij verwijzen u hieromtrent naar I.ev. 16: 26 waar het woord ngazazel, „de zondebok" voorkomt, dat gelijk het woord waarvan het afgeleid is, aanduidt, enkel „verdwijnen' (Deut. 32: 3b) beteekent, dat nl. de bok die Israëls zonden droeg, verdwijnen moest, daar deze „naar de woestijn" werd weggevoerd. Door Jezus nu met dien zondebok te vergelijken, moet men aannemen, dat ook hij verdwijnen moest en na zijn dood nooit meer kon verschijnen. Voor zoo verre de spruit aangaat, ziet men in Zech. 6: 12 duidelijk, wat daarmede bedoeld wordt, door hetgeen daarop volgt: „want hij zal uit zijn eigen plaats ontspruiten, want hij zal de tempel des Heeren opbouwen." Men weet zeer wel, dat Jezus „de Spruit" niet was, zoo herhaaldelijk door Zecharia genoemd, die den tempel des Heeren in Jeruzalem herbouwd heeft.

Ilebr. 7: 3. — Wij hebben in Punt XXI en ook in dit gedeelte over I's. 110: 4 aangaande Malchizedek uitvoerig gesproken en evenzeer over de woorden „gij zijt priester in eeuwigheid" § 49, waarmede gij Jezus' drievoudige hoedanigheid van koning, profeet en priester tracht te staven. Bovendien zij opgemerkt, dat het woord „Kohen," daarin voorkomende, dat gij als

„priester" vertaalt, echter bepaald „Vorst" beteekent § Uc titel van Ko/ien als „gezalfde priester," was

alieen aan de zonen van Aron uit den stam Levi toegekend, gelijk men dit ook in hetzelfde hoofdstuk 7 (verzen 5 en 11) van Hebreeën, zien kan.

VV ij meenen in uwe aanhaling van Abarbanel, die spreekt tot de uitleggers, die weigeren in den knecht des Heeren bij Jesaja, den Christus te zien: zij zijn met blindheid geslagen,— eene erkenning zijnerzijds te bespeuren van Jezus als den beloofden Messias. Zulk eene aantijging op het karakter van een voornamen Joodschen Schriftgeleerde eischt eene meer besliste bevestiging dan uwe ongestaafde aanhaling, waarvan gij elke gebruikelijke aanduiding achterwege laat. § 51.

Sluiten