Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanhangsel

op de drie brieven en verdediging, Tweede Gedeelte.

ï. f '.i ' '•'et. ZÜ aangestipt, dat in het manuscript, hetwelk wij den Eerwaarden Predikant zonden, een gedeelte van ons „Voorwoord," als inleiding tot onze „Verdediging voorkwam. Eenige noodzakelijke toelichtingen op deze brieven, welke wij hier laten volgen, kwamen 01 o 0VO% m ons oorspronkelijk schrijven.

S -. lot verklaring hiervan diene, dat in 1899 de !'e.rW' KCJlnJ^r "\ZfSf "am van ons onderzoek over

jnL hef I k 7 j waarvan WÜ den oorsprong j Kadish-gebed, in den Joodschen ritus wel bekend meenden te vinden. Nadat wij onze stelling daarover hadden geuit vonden wij een werk, in het jaar 19(X) uitgegeven: Jewish Services" door Deinbitz, pag '>21 waarin dezelfde gevoelens uitgedrukt zijn, en deze schrij<- voegt daarbij, dat het Kadish-gebed gedurende de

T . ', fr'US °nder de J°den wt-:' bekend was Dat het gebed „Onze Vader" van Joodschen oorsprong

is, ziet men aan zijnen inhoud uit Matth. 6:9—13 Het

eerste^ vers is gedeeltelijk uit Jes 03: 15 en lö'; Hz

. _3 en ïd. 38: _3 ; het tweede vers uit Ob. 1 : 21

en I Sam. 3 : 18; het derde vers uit Spr. 30: 8; het

kwaad VuLT lraCH -8n: 2 ("ve^f uwen »^ste het

SThidt f ' zo° ook uwe zonden- ^annec'-

gij bidt, vergeven worden"); het laatste vers en leid m.J «et <n verzoeking," vindt men niet in het Ö T

Sluiten