Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

namen geen acht daar iedereen haar voor een waanzinnige hield. Van Riebeeck volgde met de blikken al de bewegingen van Stiena en Stiena ondervond een ogenblik van grote, innerlike vreugde omdat hij daar was, doch ze liet er niets van merken.

Matielde was somber geworden en in zichzelf gekeerd. De nabijheid van werkelike mannen boezemde haar nu nog slechts een wezenlike afkeer en haat in. Ze verzadigde zich alleen aan veridealizeerde viezioenen. Niettemin werkte hun aanwezen op haar als een prikkel en ze omschiep hun werkelikheid in niewe idealen voor een aanstaand genot.

De samenspraak was levendig. Alleen Van Riebeeck zei niets, hij nam alles op, mat en overwoog alles. Doch wat er ook was, hoe het er ook uitzag, hoe enig het er scheen, hij bemerkte niets dan tintelend leven en een onmetelike, niet te-verzwelgen zaligheid verwekt door het aanwezen van dat éne bestaan van haar die in bedrijvigheid zich heen-enweer bewoog. Het was iets wat hij niet verklaren kon, het was iets dat binnen in haar lag, een grote gloed die alles verwarmde, want uiterlik was er niets aan haar, geen schoonheid van vormen of geen bevalligheid.

Sluiten