Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwaarde niets dan medelijdende blikken. De mensen wezen me elkaar aan als de ongelukkige die alles verloren had. Evenals alle mensen ben ik een baas in 't huichelen — waarom zou ik alleen ook van die gave beroofd zijn? — ik zette een Jobssmoel op, scheen bedrukt en verpletterd bovenmate. De rillingen van angst hadden m'n gezicht verbleekt, dat en de honger hadden me in de laatste tijd zeer vermagerd en verzwakt. Ik had dus een echt omstandigheidsgezicht. Ineengedrongen stond ik op de drempel, de as was nog steeds gloeiend en ik rokelde erin met 'n soort ijzeren lat die ik daar vond. Ik zocht of er soms geen bewijzen waren overgebleven want m'n innerlik werd omwoeld door 'n afgrijselike onrust.

— Zoek je iets, gij duts? vroeg 'n braaf vrouwmens achter m'n rug.

En ik met tranen in de stem:

— 'n Herinnering van m'n vader, de enigste die ik bezat. Ze lag hier juist boven . . .

Ik zocht en woelde koortsig, maar ik vond niets dan gloeiende stenen, stukken pannen en plaaster, steeds en altijd t zelfde.

— Wat was 't?

— Zo iets om 'n kaars mee uit te doven ...

Sluiten