Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bergpilaar. De trekken verslensd, kleine oogjes die vluchtten, brauwen en wimpers van verkenshaar die men bijna niet zag.

— 't Is wel bij meneer dat 't gebrand heeft? vroeg hij mij, keek me eventjes aan en liet z'n blik weer wegglijden.

— Ja, meneer, antwoordde ik.

— Meneer, ik ben handelsreiziger, hernam 't ventje.

Tenertijd haalde hij 'n tesje uit de zak en kreeg daaruit 'n kaartje.

— Maar, meneer . . . begon ik.

— Als 't u belieft, meneer!

Hij reikte me z'n kaartje over en daarop las ik:

Joseph Tondeur,

Voyageur de Commerce.

Rue du Penombre, 1 3. Vellereille-le-Galeux.

Er g'ng "n licht voor me op, ik zei:

— Maar meneer, we hebben nog niets nodig, we kunnen nog niets kopen! De verzekering . . .

Het ventje glimlachte even.

— Ik ben ginder geweest, zei hij, O, juist maar over de overblijfselen wat gelopen! Bezie mijn schoenen ... Ik heb gezien dat je mij nodig hebt.

Sluiten