Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg te volgen: al zijn beide dingen noodzakelijk; al moeten zij beide aanwezig zijn, tocli is kennis van minder belang dan oordeel ; het laatste kan het eerste ontberen, maar het eerste het laatste niet?

„Waarom wetenschap beoefenen zonder verstand? Gave God dat ten bate onzer gerechtigheid, onze rechters even goed voorzien waren van verstand en geweten als van kennis ! W ij 1 e e r e n niet voor het leven, maar voor de school!1) Want men moet de kennis niet aan de ziel vastplakken, maar men moet er haar van doordringen; men moet er haar niet mee besproeien, maar zij moet er van doortrokken worden en indien het haar niet verandert en haar onvolkomen toestand verbetert, dan ware het voorzeker beter de kennis te laten, waar zij was. Kennis is een gevaarlijk zwaard, dat zijn meester hindert en verwondt, indien het door een zwakke hand wordt gevoerd, die er niet het juiste gebruik van weet te maken ; zoodat het beter zou zijn niet te hebben geleer d."

Men bemerkt uit het bovenstaande, dat Montaigne reeds staat op het tegenwoordig standpunt. Kennis is van weinig waarde, als het geen vormenden invloed heeft. Denkgewoonten zijn van grooter beteekenis, dan kennis op zich zelf. 't Is dan ook te begrijpen dat Montaigne, die de vrouw niet zoo bijzonder hoogachtte en van oordeel was, dat zij tot logisch denken niet in staat was, voor haar kennis niet alleen totaal overbodig achtte, maar zelfs schadelijk.

„Toevallig is dit ook de reden, waarom wij en de theologie niet veel geleerdheid voor vrouwen vragen, en waarom Frans, hertog van Bretagne, zoon van Jan V, toen men hem sprak over zijn huwelijk met Isabella van Schotland, en men hem opmerkte, dat zij zeer eenvoudig was opgevoed en dat zij zonder eenige letterkundige ontwikkeling was, antwoordde, dat hij haar daarom des te meer liefhad, en dat een vrouw knap genoeg was, als zij het onderscheid wist tusschen het hemd en het wambuis van haar man."

Na alzoo te hebben betoogd, dat kennis van geen beteekenis is, als zij geen middel is voor de vorming tot het ware, gaat Montaigne verder ontwikkelen, dat de zedelijke vorming nog van grooter belang is.

„Van de schoone instelling, die volgens Xenophon bij de Perzen gevonden wordt, vinden wij verhaald, dat zij de deugd aan hun

l) Montaigne haalt de bekende Latjjnsche spreuk opzettelijk in tegenovergestelden zin aan.

Sluiten