Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der (Hoofdst. XX), de methode der kunsten (Hoofdst. XXI), de methode der talen (Hoofdst. XXII), d e methode der zedelijke vorming (Hoofdst. XXIII), de methode om vroomheid in te boezemen (Hoofdst. XXIV), en de hervorming der scholen door verwijdering of door een hoogst voorzichtig gebruik van heidensche boeken (Hoofdst. XXV).

Met onderwijs in wetenschappen, kunsten en talen bedoelt C. hetzelfde, wat wij zouden noemen onderwijs in zaken, vaardigheid en talen.

Wat hij over het zaakonderwijs zegt, zullen wij hier niet in bijzonderheden herhalen: over het algemeen vinden wij nog eens op een andere manier uitgesproken, wat hij reeds in vorige hoofdstukken als wenschelijk heeft voorgesteld. Dat hij de waarde deionmiddellijke aanschouwing krachtig betoogt en dat hij er zijn afkeer over uitspreekt, dingen te willen leeren door te vertellen, hoe ze er uitzien, behoeft ons niet te verwonderen. Alleen als de dingen zelf niet voorhanden zijn, mogen hun plaatsvervangers (modellen en platen) bij het onderwijs worden gebruikt. Zelfs datgene, wat geen zinlijke afbeelding toelaat, mag alleen door vergelijking met werkelijke dingen worden geleerd.

Ook over het onderwijs in vaardigheden zullen wij niet te veel in bijzonderheden treden. Als behartigenswaardig noemen wij zijn raad, om vooral voor voldoende oefening te zorgen : door oefening alleen wordt de kunst verkregen. Maar zegt C. terecht: „Iemand kan uit zich zelf niet vormen, indien hij nog niet weet, wat moet worden gemaakt en hoe het geschieden moet; men moet het hem dus voordoen" d. i. met andere woorden : het kennen moet aan het kunnen voorafgaan en niet het kunnen aan het kennen.

Met de denkbeelden van C. omtrent het aanvankelijk 1 e e s o n d e r w ij s en het schoonschrijven zijn wij het minder eens. Bij het aanvankelijk leesonderwijs verkiest hij den synthetischen gang boven den analytischen: eerst moeten de letters, dan lettergrepen, dan woorden, dan zinnen worden geleerd. Bij het schrijven wenscht hij de leerlingen niet dadelijk vrij de lettervormen op het papier te laten nateekenen, maar hun eenigen steun te verschaffen, voor zij zelfstandig tot het naschrijven van lettervormen overgaan. Hij beveelt daartoe aan, dun, doorschijnend papier op het voorbeeld te laten leggen en de

Sluiten