Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de tiende plaats acht Francke het voor de ware godzaligheid noodig, dat de kinderen niet in slecht gezelschap geraken.

De opvoeder moet daarom zoolang de kinderen nog jong zijn zorgen, dat zij bijna steeds onder zijn toezicht zijn en geleidelijk er toe overgaan, hun wat meer vrijheid toe te staan. Het is hoogst verkeerd kinderen steeds in den band te houden en dan plotseling als ze op jaren gekomen zijn, hun de algeheele vrijheid te gunnen, want dat loopt bijna steeds verkeerd. De kinderen moeten hun vrijheid ook leeren gebruiken.

In de elfde plaats moet al het goede, dat men de kinderen op het hart binden wil, naar de wijze van het evangelie worden aangebracht. Dat wil zeggen, niet met strengheid en hardheid, maar de liefde moet in onzen omgang met kinderen op den voorgrond treden. De liefde zal in de kinderen wederkeerig liefde en lust in het goede doen ontstaan, als de opvoeder slechts te werk gaat, als de verstandige landman, niet het eene zaad strooit over het andere, maar ook in zake godsvrucht en christendom, wijze matiging in acht neemt. De opvoeder moet echter niet denken, dat liefde en vriendelijkheid hetzelfde is als familiarireit: „ernst en vriendelijkheid moeten steeds hand aan hand gaan."

In de twaalfde plaats is het voor de ware godzaligheid noodig, dat de opvoeder bij het straffen de juiste wegen bewandelt.

„Sommigen zijn van meening, dat men de kinderen alleen door liefderijke vermaningen op het goede pad brengen moet en willen niet toestaan, dat men ze met roeden kastijdt, als woorden niet baten. De ervaring is hierin echter de beste leermeesteres en zij doet zien, dat men de roede niet geheel en al kan missen; vooral dan niet, als de kinderen vertroeteld, oud, en in hun eigen wil reeds versterkt zijn. De roede moet dan worden gebruikt, tot de kinderen zich zelf overwonnen hebben en zonder dwang een liefdevolle leiding kunnen volgen."

Francke is er echter diep van overtuigd, dat groote wijsheid en voorzichtigheid in dit opzicht gebiedend noodzakelijk zijn en hij laat daarom nog eenige voorschriften volgen, die zooveel goudkorrels van paedagogische wijsheid bevatten, dat wij zeker de bladzijden in haar geheel hier zouden vertalen, als we ons niet moesten beperken. Zoo beknopt mogelijk zullen wij de hoofdzaken vermelden.

Sluiten