Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Tracht dus bij het zingen zijn stem nauwkeurig, geregeld, buigzaam, klankvol te maken en zijn oor te oefenen voor maat en harmonie, maar verder niets. Nabootsende en theatrale muziek is boven zijn leeftijd. Ik zou zelfs niet wenschen, dat hij woorden zong en als hij ze zou willen zingen, zou ik trachten liedjes voor hem te maken, interessant voor zijn leeftijd en even eenvoudig als zijn denkbeelden."

R. gaat vervolgens over tot de bespreking der vraag, of de kennis van het notenschrift voor kinderen gewenscht is.

„Dit is wat moeilijk voor kinderen, en we moeten geen haast maken met het kennen van conventioneele teekens. Men leere aanvankelijk op het gehoor zingen en beginne met het eenvoudigste. Bovenal zorge men, dat het onderwijs in de muziek een vermaak blijft."

Toch bestaat er volgens R. een groot verschil in practisch belang tusschen het leeren kennen der teekens voor het gewone lezen en die voor het muziek-lezen. „Wel is waar schijnt op het eerste gezicht de kennis der noten niet noodzakelijker om te kunnen zingen, dan die der letters om te kunnen spreken, maar er is toch dit verschil tusschen, dat wij onze eigen denkbeelden weergeven als wij spreken, terwijl wij slechts de denkbeelden van anderen vertolken als wij zingen. En — om die denkbeelden te kunnen weergeven, moeten wij ze kunnen lezen."

R. geeft dan aan welke inleidende oefeningen vooraf moeten gaan, voor de tijd gekomen is om de tonen door namen aan te duiden. Welke namen moeten gekozen worden?

R. wijst er op, dat wij namen bezitten om de vaste toonshoogten aan te duiden, en andere namen voor bepaalde toonsafstanden. „C en a duiden vaste toonshoogten aan; om ze voort te brengen slaan wij steeds dezelfde toetsen aan van het klavier. Met ut (do) en la daarentegen is het anders gesteld. Ut (do) is steeds de tonica van den groote-terts-toonaard, of de mediant van een kleine-terts-toonaard. La is steeds de tonica van een kleine-terts-toonaard, of de boven-dominant van een groote-tertstoonaard. De letters duiden dus vaste toonshoogten van ons muziekstelsel, en de lettergrepen de gelijknamige termen van gelijke betrekkingen tusschen verschillende tonen aan."

„Laten wij dus met onzen leerling een meer eenvoudige en duidelijke handelwijze volgen: laten er voor hem slechts twee toonaarden bestaan, welker betrekkingen altijd dezelfde zijn

Sluiten