Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen en de eigenlijke denk werkzaamheden tot volgende perioden uitstelt. Veel van wat wij daarom gedurende den kinderlijken leeftijd wenschen te onderwijzen, vinden wij bij R. tot een volgenden trap verschoven. De nog verdere verschuiving van het onderwijs in de geschiedenis vindt haar grond in R.'s meeningen omtrent het doel van het geschiedenisonderwijs. Toch geeft R. reeds in het tweede boek eenige beschouwingen omtrent het onderwijs in geschiedenis en aardrijkskunde, in verband met zijn meening, dat deze leerstof voor dien trap niet past, die waaid zijn te worden gekend. Wij zullen deze opmerkingen uit het tweede boek bij elk der vakken afzonderlijk bespreken. Achtereenvolgens zullen wij aan de orde stellen: eerst het onderwijs in aardïijkskunde, dan dat in geschiedenis en eindelijk dat in natuurkennis.

Laten wij hooi en, wat R. over het onderwijs i n a a r d* r ij k s k u n d e zegt.

„Welke studie het ook zij, zonder begrip der vertegenwoordigde dingen, zijn de vertegenwoordigende teekens niets. Toch beperkt men zich bij het kind altijd tot die teekens, zonder hem ooit één der dingen te doen begrijpen, die zij voorstellen. Terwijl men meent, hem de beschrijving der aarde te leeren, leert men hem slechts kaarten kennen: men leert hem namen van steden, landen, li vieren, waarvan hij niet anders weet dat ze bestaan, dan op het papier, waarop men ze hem wijst. Ik herinner me ergens een aardrijkskundig leerboekje gezien te hebben, dat aldus begon . W nt is de narde ? Een kartonnen bol. Zoo is precies het aai di ijkskundig onderwijs aan kinderen. Ik houd vol dat geen enkel kind van tien jaar, na twee jaar les te hebben gehad op de globe, met behulp van wat hem is geleerd, den weg zou weten te vinden van Parijs naar Saint-Denis. Ik houd vol, dat ei geen is, die naar een platten grond van den tuin zijns vaders in staat zou zijn den weg te vinden, zonder te verdwalen. Daar hebt ge die geleerden, die op hun duimpje weten, waar Pekin, Ispahan, Mexico en alle landen der aarde liggen."

Gelukkig is het thans zóó erg niet meer, maar erg is het nog. Wel heeft men op het voetspoor der philantropijnen in zoovei den raad van R. gevolgd, dat men in den laatsten tijd niet meei met de aarde, maar met het schoollokaal begint. Of het kind echter, na eenigen tijd aardrijkskundig onderwijs te hebben ontvangen, in staat is door middel van een platten grond, den weg te vinden, dat is de vraag. Ik ben nog al eens in staat

Sluiten