Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij zich aan lasterlijke praatjes schuldig, indien het gesprek op den dominee of op den schoolmeester kwam.

Had de dominee een preek gehouden, die de gemeente met groote instemming had gehoord, dan zei hij: „Dat is geen kunst; indien ik ook zooveel tienden ontving als de dominee en thuis rustig bij den haard kon zitten, dan zou ik het even goed kunnen doen als hij." Zag hij toevallig een collega van den predikant de pastorie binnengaan, dan luidde het: „ja, ja, dat domineesgespuis doet niets anders dan smullen en luibakken, en wij moeten den heelen dag werken."

Hekelde de predikant een ondeugd, die buurman Thomas bezat, dan meende hij dat de dominee het op hem had gemunt en d&n moest men onder tafel over den goeden man wat hooren. „De steek deed beter, zei hij gewoonlijk, maar naar zijn eigen te zien en te leeren hoeveel psalmen er zijn." (De geestelijke had zich namelijk eens versproken en in plaats van den zeventigsten den honderd en zevenstigsten psalm genoemd). „Wat wil zoo'n kerel praten!" En dan werd alles, zijn gang, zijn pruik, zijn huishouden en landbouw bespottelijk gemaakt.

Den schoolmeester ging het niet veel beter. „Daar jongen, daar heb je het houtgeld voor den schoolmeester. Breng het gauw bij den hongerlijder voor hij je maant. Ga naar den schoolmeester toe en zeg hem dat hij van avond mag komen eten, want dat we geslacht hebben. Dan weet hij ten minste ook nog eens, hoe je je voelt, als je je buik vol gegeten hebt."

Zoo slecht sprak de man over de bedienaars van kerk en school. Nu had de jonge Thomas op de lieele wereld niemand, van wie hij den godsdienst had kunnen leeren dan den dominee en den schoolmeester, die zijn vader zoo verachtelijk voor hem gemaakt had. Geen wonder, dat hij de goede lessen, die ze hem gaven, hun vermaningen en terechtwijzingen minachtte.

„Bah , dacht hij bij zich zelf, indien hij in de pastorie of in de school een goede les hoorde, „wat zou die steek, wat zou die hongerlijder me kunnen leeren."

2.

Meestei Simson maakte het niet beter. Hij stuurde zijn zoontje naar een school, waar drie onderwijzers waren, die alle drie hun gebreken hadden, want ze waren menschen. De eene was een beetje driftig en had daardoor vaak met zijn buren ruzie.

Sluiten