Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat bij het onderwijs voor voldoende aanknoopingspunten moet worden gezorgd. Alle nieuwe kennis moet aansluiten bi] de reeds aanwezige kennis, maar toch nog genoeg nieuws bevatten, om met belangstelling te worden opgevat.

Het tweede beginsel is een omschrijving van den didacffischen eisch, dat bij het onderwijs gezorgd moet worden voor concentratie.

Blijkbaar wenscht P. slechts een zoodanigen vorm van concentratie, dat er verband gebracht wordt tusschen de deelen der kennis, die reeds naar hun aard punten van overeenkomst vertoonen. Een concentratie als die van Ziller, die uitvloeisel was van het onjuiste beginsel der kuituur-historische trappen, wenscht hij blijkbaar niet.

In het derde beginsel wijst P. er op, dat men niet volstaan kan met een aanschouwing door middel van één zintuig, maar dat men zoo mogelijk een ding of verschijnsel met alle zintuigen waarnemen moet, want juist hierin is naar zijn oordeel, de opvoedende kracht van het onderwijs gelegen.

Deze derde stelling is als het ware de inleiding en voorbereiding van de vierde en vijfde. Als wij P. goed begrijpen, want hij is niet steeds even duidelijk, maar uit vele andere plaatsen blijkt, dat onze opvatting toch de ware is, spreekt hij in de vierde en vijfde stelling twee beginselen uit, waarvoor wij ook in onze „Grondbeginselen der opvoedkunde" opkomen. Het zijn de twee beginselen, waardoor eenerzijds van de opvoeding geeischt wordt, dat zij vormend werken zal en dus niet slechts gelegenheid bieden tot ontwikkeling, in tegenstelling dus met de door sommigen gewenschte absolute neutraliteit en anderzijds, dat de opvoeding niet een dogmatisch, maar een genetisch-ontwikkelend karakter dragen zal. Het zal duidelijk zijn, dat het eerste beginsel in stelling 4 en het tweede in stelling 5 opgesloten ligt.

De zes de brief, waartoe wij nu overgaan, bevat eindelijk de grondslagen van Pestalozzi's opvoedingsysteem, dat in de volgende brieven verder wordt ontwikkeld.

P. beschrijft, hoe hij voortdurend weer er over dacht, wat toch het gemeenschappelijke van alle onderwijs behoorde te zijn. Wij moeten, zoo zegt hij, van donkere aanschouwingen tot duidelijke begrippen komen en de wijze, waarop dit geschiedt, moet in overeenstemming zijn met de wetten der menschelijke natuur. „De middelen ter verduidelijking van alle aanschouwingskennis

Sluiten