Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beginselen, zullen wij bespreken, omdat zij ook voor H.'s denkbeelden in paedagogisch opzicht van hooge beteekenis zijn.

Van het eerste hoofdstuk zullen wij het begin geheel vertalen:

„Deugd is de naam voor het geheele opvoedkundige doel. Zy is de in een persoon tot duurzame werkelijkheid gegroeide idee van de innerlijke vrijheid. Hieruit volgt onmiddellijk een tweeledige taak, want de innerlijke vrijheid is een verhouding tusschen twee leden: inzicht en wil, en de opvoeder moet zorgen, eerst e 1 k dier leden afzonderlijk werkelijkheid te doen worden, opdat ze daarna zich tot een duurzame verhouding mogen verbinden.

Onder het woord inzicht wordt allereerst de aesthetische (nog niet zedelijke) beoordeeling van den wil verstaan.

„Reeds hier echter mag niet vergeten worden, dat het streven om deze verhouding tot duurzame werkelijkheid te doen worden niets anders is dan de zedelijkheid zelf. Dit streven in den kweekeling te voorschijn te roepen is veel moeielijker, en is in elk geval eerst later mogelijk, nadat de bovengenoemde tweeledige taak reeds goed gevorderd is. De bloot aesthetische beoordeeling wordt gemakkelijk aan vreemde voorbeelden geoefend; de zedelijke toepassing op den kweekeling zelf kan evenwel slechts in zoover met hoop op goeden uitslag plaats hebben, als zijn neigingen en gewoonten een richting hebben genomen, die in overeenstemming met die beoordeeling is. Anders loopt men gevaar, dat de kweekeling de aesthetische beoordeeling van den wil, wanneer hij ze velt, toch met bewustzijn ondergeschikt maakt aan de gewone sluwheid en hieruit ontstaat het eigenlijk slechte.

„Gaat men nu de overige practische ideeën na: dan herinnert de idee der volkomenheid aan gezondheid van lichaam en geest, aan de waardeering dier beide, en aan haar opzettelijke kuituur.

„De idee der welwillendheid vermaant den opvoeder allereerst alle aanleiding tot kwaadwillendheid, zoolang als ze gevaarlijk kan zijn, verwijderd te houden. Maar ook achting voor welwillendheid moet er bij den kweekeling noodzakelijk bijkomen.

„De idee van het recht eischt, dat de kweekeling het strijden nalaat. Zij eischt daarenboven nadenken over den strijd, om de achting voor het recht vaster te doen worden.

„De idee der billijkheid komt vooral in die gevallen in aanmerking, waarin de kweekeling werkelijk straf, als vergelding voor opzettelijk berokkenen van leed verdiend heeft. Hier moet goed op de strafmaat worden gelet en deze als juist door den gestrafte worden erkend.

Sluiten