Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antwoord luidt: de knaap heeft behoefte aan leerstof voor zijn gemoed (godsdienst) en aan leerstof, die hem de omringende natuur doet kennen. (Kennis der natuur in de meest uitgebreide beteekenis) en verder aan leerstof, die hem in staat stelt, wat in zijn gemoed leeft en wat de natuur hem leert, te uiten, te verbinden en te rangschikken: taal en kunst.

In de tweede plaats stelt Fröbel de vraag, wat het huisgezin het kind aireede heeft verschaft, want hierop moet de school voortbouwen. „In het gezin groeit het kind op, in het gezin groeit het kind op tot knaap en leerling; bij het gezin moet derhalve de school aansluiten." Naar aanleiding van dit onderzoek eischt hij voor de school de volgende leerstof: «. religie, b. vorming van het lichaam, c. beschouwing van natuur en buitenwereld, d. poëzie en versjes, e. taaloefeningen, ƒ. bouwen, g. teekenen, h. opvatting van kleuren, i. spelen, k. vertellingen, l. kleine reizen en grootere wandelingen, m. getalleer, n. vormleer, o. spreekoefeningen, p. schrijven, q. lezen.

Het kan natuurlijk niet onze bedoeling zijn, hier een stelselmatig overzicht te geven van al de leerstof, die in het bovenstaande is aangeduid. Over het algemeen mogen wij getuigen, dat Fröbel zoowel in de keuze der leerstof als in de wijze van behandeling Pestalozzi ver vooruit was. Zelfs wij kunnen uit dit vijf en zeventig jaar oude werk (het verscheen in 1826) nog veel leeren. Zijn leergang voor het rekenen bijv. van 1—20 is zeer eigenaardig en bevat veel goeds, al zouden wij onze tegenwoordige methoden verkiezen.

Op enkele punten echter moeten wij de aandacht vestigen. Over het algemeen vinden wij bij Fröbel, consequenter zelfs dan bij H e r b a r t, het streven om de verschillende leerstofgroepen met elkander in verbinding te brengen: concentratie. Het middelpunt van al het onderwijs is voor hem de beschouwing van natuur- en buitenwereld, welke beschouwing haar stof moet ontleenen aan schoolwandelingen en schoolreisjes. Van deze is Fröbel een groot voorstander. „Niets verbindt onderwijzer en leerling zoo innig, als het streven, om zich gemeenschappelijk met de natuur en natuurvoorwerpen bezig te houden. Ouders zoowel als schoolmeesters moesten dit bedenken en de laatsten moesten daarom minstens eens per week met elke afdeeling hunner school naar buiten g a a n." De onderwijzer moet hierbij niet doen, of hij een kudde

Sluiten