Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gende zag hij hoe het trouwe dier geweigerd had te gaan over het lichaam eener over den weg uitgestrekte vrouw, die schijnbaar bewusteloos of dood moest zijn, zoo roerloos lag zij daar.

In een oogwenk was Herman naast haar en niet zoodra had hij haar hoofd opgeheven, of hij slaakte een half gesmoorden uitroep :

)>Djaguna!" riep hij uit, want er viel niet aan te twijfelen, of hij zag het mooie Kaffermeisje voor zich, dat tot voor een jaar geleden op het erf zijner ouders gearbeid had, om toen op eens bij Baas van den Honert in dienst te treden.

Bij het vernemen zijner stem, sloeg zij de groote zwarte oogen naar hem op en poogde zij zich overeind te zetten - maar de inspanning, welke zij daartoe aanwenden moest, ging blijkbaar haar krachten te boven.

„Meester," fluisterde zij : „goede meester Herman !"

„Arm kind!" zeide de jongeling hoofdschuddend : „Gij schijnt niet veel geluk gekend te hebben sedert gij ons verliet. Maar wat deert u thans ? Zijt gij zoo ziek, dat gij u niet eens meer verder kunt sleepen ?"

„Hij denkt dat hij mij doodgeslagen heeft," klonk het sissend van tusschen de opeen geklemde tanden : ,,maar ik wil niet sterven vóór

Sluiten