Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op haar stamgenooten uitoefende. Hare donkere gestalte kwam tegen den prachtigen sterrenhemel uit, zij had heide armen wijd uitgebreid en geleek aldus op een reusachtigen roofvogel, die gereed was zijn vlucht te nemen.

Menigeen zou zich door haar aanblik, want zoo onheilspellend was deze inderdaad, hebben laten afschrikken ; maar de jonge man kende geen vrees en slechts verheugd het doel van zijn tocht te bereiken, beklom hij in allerijl den kleinen berg en kwam hij al spoedig bij Tana aan, die eerst op het laatste oogenblik zijne nadering bespeurde ; maar zonder eenige ontsteltenis of verbazing aan den dag te leggen, nog voordat hij het woord tot haar had kunnen richten, vroeg :

„Gij komt hier ter wille van Djaguna, de roos der wildernis, niet waar ?"

„Wie heeft u dat gezegd ?" riep Moorbreggen uit ; want hijzelve had nooit te voren de heks aanschouwd, en dit geleek inderdaad op tooverij.

„Men behoeft niet slim te zijn om dat te raden," gaf zij met een spotlach ten antwoord. „De Kaffers worden door al wat blank is geminacht alsof zij honden waren; menigeen der uwen, die nog heden beweert dat zij geen menschen zijn ; maar zoodra een hunner dochters eenige schoonheid bezit, weten Engelschen en Boeren geen woorden genoeg te vinden om

Sluiten