Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar gij schijnt toch van de jonge moeder te hebben gehouden. Kunt gij dan doof blijven voor haar laatsten wensch ?"

Tana schudde met iets als woede het ravenzwarte hoofd.

„Heb ik u dan niet reeds gezegd dat Djaguna de dingen dezer wereld niet verstond ? Zij kon niet oordeelen over hetgeen geluk voor haar kind zou kunnen beteekenen. Gij en de uwen schijnt goede lieden te zijn, of wel gij zoudt u het lot dier kleine niet aantrekken ; maar laat haar méégaan met u en zich nooit over u allen te beklagen hebben, zij zal daarom niet minder opgroeien tot eene zwarte dienstbode, gewantrouwd door de overige Kaffers, naar mate zij meer aan hare meesteres is gehecht en nauwelijks zal zij volwassen zijn, of de een of andere blanke zal hare schoonheid opmerken en haar leven verwoesten. Neen, gij zult haar niet hebben, noch tijdens mijn leven,noch na mijn dood. Haar wacht eene taak; zij zal velen der onzen wreken."

„En met welk recht wilt gij dat kind behouden, als de moeder zelve er anders over heeft beschikt?" riep Herman uit.

Zij wierp hem een verpletterenden blik toe, als ware die vraag eene beleediging geweest, en antwoordde toen langzaam :

„Met welk recht ? Djaguna was mijne dochter."

Sluiten