Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jonge vrouw knikte toestemmend, maar sprakeloos.

„En gij zult moeten erkennen dat hij een hart bezit van zuiver goud," hernam de oude vrouw geheel verteederd : „Nooit heeft hij ons ook maar een dag van droefheid bezorgd, en die groote, forsche knaap keek naar ons oudjes om, met evenveel zorg alsof wij kinderen waren geweest. De Heer zal hem daarvoor zegenen, en heeft dat trouwens reeds gedaan. Gij moet wel heel gelukkig met hem wezen, mijn kind ?"

„Ja, ja, ik ben heel gelukkig," verzekerde de jonge vrouw met een gedwongen glimlachje : „Hoe zou ik dat ook niet zijn ? Gij hebt volkomen gelijk, Herman is zoo goed."

Hij was dat inderdaad, onder alle omstandigheden, altijd. Nooit nog had zij hem een enkel bitter of scherp woord te verwijten gehad. Telkens bedacht hij iets nieuws, waarmede hij haar kon verrassen; er verliep geen dag of hij dankte haar voor het geluk, dat hare liefde hem geschonken had, en er lag iets onbeschrijfelijk treffends in de bijna kinderlijke wijze waarop hij haar verafgoodde. Zij gevoelde dat geen vrouw ter wereld ooit inniger kon zijn bemind, en toch ....

O ! deze altijd zwijgende natuur, die eenzame wegen, die onbevolkte bosschen, en geen ander gezelschap, buiten het zijne, dan dat van deze

Sluiten