Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gebreken van anderen, terwijl wij, met een luiheid en slordigheid zonder voorbeeld, het toezicht op ons eigen gedrag verwaarloozen. — Geef ons, o Heer, die ware liefde, die ons leert om ons zeiven niet te vleien, om den naaste te sparen, en alles met billijkheid te beoordeelen.

V. Het is volgens de wettige orde der dingen, dat wij beginnen met aan onze eigene heiligmaking te arbeiden, vóór wij aan die van anderen denken : anders is het alleen hoogmoed en huichelarij, die ons bezielt. — Een blinde, overijlde en kwalijk bestuurde ijver dient tot niets, dan om ons opgeblazen te maken, en ons steeds meer en meer omtrent ons zeiven te verblinden, en ons omtrent den naaste groote dwalingen te doen begaan. — Wat nu beteekent het: den balk uit ons eigen oog weg te werpen, eer wij ons tot de waarneming van ons heilig ambt van zielzorger begeven? Immers, dat wij vooraf ons hart reinigen van alle bloot menschelijke inzichten en van alle vleeschelijke bedoeling; dat wij onze eigene driften, die de oorzaak van onze verblinding zijn, ten onder brengen; dat wij ons geloof verhelderen door oefening in de kennis van den weg des lieils, en dat wij eindelijk ons pogen te ontdoen van alle aan het algemeen eigen vooroordeelen of valsche begrippen, die met de waarachtige vroomheid in strijd zijn.

VI. De heilgoederen der kerk, en met name de gemeenschap aan desHeeren tafel, zijn niet voor hen, die, zooals honden gedurig wederkeeren tot hun uitbraaksel, telkens op nieuw vervallen tot hunne oude zonde, vooral in het gebruik van hun tong en mond, noch voor hen, die als zwijnen wederkeerende tot de wenteling in het slijk, zich verharden in hunne gewoonten van onkuischheid en andere zonden.

VII. Hoe rijk is men, als men goed de kunst verstaat om te vragen, te zoeken en aan te kloppen, met de tong, met het verlangen, met de werken. Laat ons vragen met ootmoedig vertrou-

Sluiten