Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a

past wel zeer op, oui het zaad van zijn akker niet te verliezen ; maar meu telt het niet of uien het goede zaad, zijne ziel verloren laat gaan.

XIX. Alen ziet maar al veel van die vlagen van opgewondenheid, van geestdrift, van verrukking over de christelijke waarheid en het woord Gods, die op niets of bijna niets uitloopen.—Men weet niet recht welke vrucht het woord Gods bij ons draagt tenzij dan in tijden van beproeving, inwendig door den strijd met de zonde, of uitwendig door de tegenspoeden des levens. — Vreezen wy, maar zonder in overspanning te vervallen, dat onze vruchten zonder wortel, onze aanvangen zonder volharding, onze werken zonder liefde zijn. — Ach, Heer, laat het niet alleen voor een tijd zijn, dat ik u hoor, dat ik uw woord smake, dat ik u toebehoor, maallaat het voor altijd, voor de eeuwigheid wezen!

XX. Hoeveel toegenegenheid tot het leven der vroomheid en tot

o o

de behartiging der christelijke waarheden men ook gevoelen moge, de liefde voor de rijkdommen en voor de dingen der wereld verwoest alles, als zij heerschend wordt. Men rust op een leger van doornen, als men zich op zijne rijkdommen verlaat. Men zoekt de rust in den schoot der onrust zelve, als men haar zoekt te midden van de dingen, die het voorwerp van de zorgvuldigheid dezer wereld zijn. Het woord Gods kan geen vrucht dragen in een hart, dat vol is van het voornemen om fortuin in de wereld te maken en van liefde voor de rijkdommen der aarde.

XXI. Het zaad, dat valt in de goede aarde, — het is het woord Gods in een goedgezind hart. — Hooren, verstaan en vrucht dragen — ziedaar de drie kenmerken van een goede aarde en een goedgezind hart. — Er zijn onderscheiden trappen van goedheid en heiligheid des harten, maar er is er geen, waarbij de vrucht der goede werken ontbreekt. — Wat noodzakelijk is, het is niet: in een volmaakten staat der ziele te verkeeren, maar wel Gode trouw te zijn in dien staat, waarin hij ons roept. Mijn God, maak van

Sluiten