Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXI. Wachten wij ons er voor, over God eii zijne voornemens eu werken te willen oordeeleu door de rede alleen: door dat te doen verlagen wij hem, zoo in de oneindigheid van zijn wezen als in de onbegrijpelijkheid van zijne grootheid. — Er zijn twee bronnen van der menschen bestrijding van de goddelijke waarheden :

1. De eerste bron is, dat men de kennis der Schriften te zeer mist, en dat komt omdat men er zich niet genoeg en met te weinig ijver, geloof, eerbied en ootmoed op toelegt: door aldus te doen toont men, dat men niet bij God school wil gaan om van liem te leeren, wat hij zich verwaardigt ons aldaar zelf' te leeren.

2 De tweede bron, die uit de eerste voorvloeit, is daarin gelegen, dat men zich een te geriuge voorstelling maakt van de grootheid Gods, van zijn heiligheid, van zijn macht over het schepsel, van zijn wijsheid, van zijn voorzienigheid, van zijn voornemens over zijne uitverkorenen, en van het eeuwig leven, dat hij aan zijn verloste kinderen uit zichzelven en zonder behulp van eenig menschelijk middel schenkt. — Het is een groote vermetelheid, de eeuwige en oneindige rede en de almacht Gods te willen afmeten naar de zwakke en bedorven rede van het schepsel.

XXII. Alle verbintenissen en vereenigingen op aarde zijn teekenen en uitwerkselen van de gebrekkigheid en sterfelijkheid van des menschen aardsch bestaan. Als de mensch in de eeuwigheid Gods zal zijn ingegaan en al zijne begeerten verzadigd, al zijne uooden vervuld, zijne sterfelijkheid door de heerlijkheid verzwolgen zal zien, zullen alle menschelijke verbintenissen en vereenigingen zich oplossen in de verbintenis en vereniging, die hij met God zal hebben. — Hoe minder omgang en verkeer men met het schepsel heeft, des te inniger is onze omgang en verkeer met God. Gelukkig de ziel, die reeds in dit leven het leven der engelen begint, door zich zooveel doenlijk aan al het aardsche te onttrekken, ten einde te meer voor God en met God als den Bruidegom en Man onzer zielen te leven.

XXIII. (jod, die de God, dat is de milde, grootmoedige en al-

Sluiten