Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te toonen, ten einde de aclitiug der menscheu niet te verliezen, wanneer men in de oogen van God door liefde voor de zonde en door misdadige begeerten bedorven is. Een ware boetvaardige doet juist het tegendeel. Hij beijvert zich zijn hart te reinigen door de liefde voor God en den haat voor de zonde, en hij vindt er zijn genoegen in voor de menscheu de verlegenheid en de beschaamdheid ten toon te spreiden, welke zijn zedelijke ellende hem veroorzaakt.

XXIII. De uitwendige reinheid kan alleen uit het binnenste voortkomen; vandaar uit verspreidt zij zich naar buiten. Hij, die naar eer bij de wereld zoekt, geeft zich niet veel moeite voor het reinhouden van zijn binnenste. — Het is een zeer gewone verblinding te meenen, dat men de geboden Gods vervuld heeft, als men die voor liet uiterlijk heeft volbracht. — De gehoorzaamheid aan de wet moet bij ons vanzelf komen als water uit een bron, en die bron is de liefde. Als de liefde Gods er het innerlijk beginsel en zijne heerlijkheid het einddoel van is, dan is het buitenste in orde; maar zonder dat is het alles niet dan huichelarij en een valsch vertoon van gerechtigheid.

XXIV. Hoeveel naam- en schijnchristenen heeft men niet! Hoe weinig ware christenen zijn er! Velen missen de deugden, die zij vertoonen, de deugden, die zij schijnen te hebben, en hebben daarentegen de tegengestelde ondeugden. Niets is zoo gewichtig, dan op dien voet zichzelven goed te onderzoeken en door en door te kennen, daar wij immers op dien voet zullen onderzocht en geoordeeld worden in het groote oordeel Gods. — Als liet witte pleister van den muur der grafstede zal weggenomen zijn, en het hart geheel ontbloot voor den dag zal komen, gelijk het is, ach mijn God! wat zal het dan den zondaar baten de wereld bedrogen te hebben door haar zijnen onreinen inhoud te verbergen? Het zal hem slechts een des te erger beschaming en een des te zwaarder oordeel doen ontvangen.

XXV. God laat het uitwendige voor de menscheu; de grond des

Sluiten