Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschouwingen wordt nader uitgewerkt en gegeneraliseerd in het artikel: „Théorie critique de la connaissance religieuse" in 1888 verschenen in de „Revue Chrétienne" 1).

Hier wil prof. Sabatier een wijsgeerigen grondslag leggen voor de dogmatiek.

Het begin luidt aldus: Qui dit conscience, dit science ou, tout au moins, commencement de science. Men zou hier bij „conscience" aan „geweten" kunnen denken, maar blijkbaar bedoelt S. „bewustzijn". Want hij spreekt onmiddellijk daarna over het ik. Het ik ontvangt indrukken, d. w. z. er vormen zich in onzen geest beelden van datgene, wat buiten ons is. Konden wij ons bv. geen beeld van een boom vormen, wij zouden geen bewustzijn hebben van wat eigenlijk een boom is. Komen al onze indrukken tot bewustzijn door beelden, dan is het duidelijk dat het godsdienstig gevoel zich niet bewust wordt zonder beelden. Wat volstrekt buiten ons leven staat, staat ook volstrekt buiten onzen gezichtskring. Wil de godsdienst realiteit hebben, dan moet het onzienlijke, waarvan hij getuigt, toch op eene of andere wijze met ons in betrekking staan. In de buitenwereld is dat onzienlijke niet, anders zou het zienlijk zijn.

S. meent het onderscheid tusschen: kennis der buitenwereld en: kennis van het zedelijk-religieuze, aldus duidelijk te kunnen maken:

') In 1896 verscheen eene Duitsche vertaling van A. Baur, onder den titel: Theologische Erkenntnisztheorie.

Sluiten