Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer hij het verschijnsel van den godsdienst verklaart uit zeker egoïsme van den mensch, waarbij deze zich krachtens zijne verbeelding buiten zichzelven plaatst, om zijn wezen te bewonderen (diastole en systole)? Het is terecht opgemerkt '), dat eene bekendheid met Feuerbach's stelsel of met het door A. Lange geschrevene 2) in het „Symbolisme" zeer op zijne plaats zoude zijn geweest.

Bovendien is het begrip „vroomheid" in dit stelsel zóó mysterieus, zoo weinig bepaald, dat wij ons hier geheel in den nevel bevinden.

Zoo noodzakelijk en prijzenswaardig het is, om te wijzen op de persoonlijke levensgemeenschap met God, op de „religion intérieure," waarvan ook reeds Maine de Biran (in zijne laatste periode) getuigde 3) — zoo naief en zonderling is het uit te roepen: neemt het „ik" weg, en het voorwerp, de materie der kennis, is eveneens weggenomen. Bestaat dan die materie niet meer? Dat zal prof. Sabatier wel niet willen beweren. S. zal dus meenen: bij het „wegnemen van het subject" wordt de materie onkenbaar. Het „Ding an sich" is hier voor den hoogleeraar geen „Unding!" Doch hierop wensch ik terug te komen bij het bespreken van het Godsbegrip.

Wij hebben hier te doen met eene poging om alle

') Theol. Lit. Ztg. 1897, S. 197.

2) Geschichte des Materialismus.

3) Van dezen wijsgeer treffen wij ook sporen aan bij de theorie omtrent het ontstaan v. d. godsdienst: de „salto vitale" heeft overeenkomst met de „effort" van dezen wijsgeer.

Sluiten