Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenheid van beider opvattingen, kan dien twijfel niet geheel wegnemen.

De wijze waarop prof. Ménégoz over 't algemeen redeneert, getuigt meer van scherpzinnige handigheid dan van wijsgeerigen aanleg. Daarop wijst ook de naïeveteit waarmede de hoogleeraar nieuwe tegemoetkomingen aan zijn bestrijders, b.v. dat het geloof een intellectueel element bevat, voorstelt alsof hij ze reeds in den beginne had geleerd; en waarmede hij na 21 jaren betuigt, dat hij reeds in 1879 was „au bout de sa pensée."

Wat echter het meest verbazing wekt, bij alle hoogachting van persoonlijke vroomheid, is de wijze waarop Menégoz spreekt over een verschil van inzicht met den schrijver der „Esquisse." Ménégoz is het niet eens met Sabatif.r's zienswijze omtrent de zonde. Deze speelt bij het ontstaan van den godsdienst een te kleine rol. „De mensch heeft niet alleen te strijden tegen de natuur, die hem dreigt te verpletteren, maar tegen God-zelf, die den zondaar veroordeelt." ') Evenmin is Ménégoz het eens met de beschouwing van den godsdienst als „een wortel, dien God in den mensch geplant heeft en die zich ontwikkelt," want hij beschouwt de religie als „het gevolg eener voortdurende inwerking van den geest Gods, immanent in den geest des menschen."

Nu komt in de bedoelde beschouwingen van prof. Sabatier hieromtrent zeer duidelijk aan het licht eene

') Public, s. 1. F. p. 234.

Sluiten