Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat op den ganschen aardbodem woont. *) Het «zaad» Eva's, het genus humanum, ontvangt de belofte van den komenden Messias (Gen. 3:15); «alle geslachten des aardrijks» beërven de zegening van Abrahams uitverkiezing (Gen. 12:3), en de gave des Zoons is eene betooning van Gods liefde tot de «wereld» (Joh. 3: 16).

Het komt er nu maar op aan, wat men hier onder «wereld» verstaat. Ook de Gereformeerde (evenals de Methodist) gelooft aan een wedergeboorte van de wereld (Matth. 19 : 28); ook hij gelooft dat Christus de menschelijke natuur heeft aangenomen om den mensch te redden (Hebr. 2 : 14); ook hij gelooft hetgeen er geschreven staat van die «groote schare, die niemand tellen kan» (Openb. 7 : 9). Doch hier zit nu al het verschil in: de Methodist verwacht benevens de toekomstige ook een tegenwoordige, natuurlijke wedergeboorte der wereld, de Gereformeerde enkel een eeuwige, een geestelijke (Matth. 19:28). De Methodist zoekt, op grond van de algemeene verzoening, het uitverkoren geslacht in alle menschen, individueel genomen, doch de werkelijkheid beschaamt hem gedurig, nu zoovelen in hun ongeloof volharden; de Gereformeerde daarentegen vindt dat geslacht in het besluit der electie, vastelijk vertrouwende dat God door de roepstem der bekeering, tot allen gericht, dat besluit realiseert (Rom. 8 : 29, 30). En eindelijk, de Methodist is ten opzichte van de «groote schare» een idealist, de Gereformeerde een realist. Het Idealisme van den eerste, stelt de mogelijkheid van de toebrenging aller menschenkinderen, het Realisme van den tweede houdt rekening met de realiteit van Gods besluit en met de realiteit van wat dagelijks rondom hem plaats vindt. Voor den idealist is het object der verkiezing een onbepaald aggregaat van individuen, voor den

1) Cf. I)r. H. Bavinck. Dogm., II. p. 366, 884.

Sluiten