Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HC1 te laten staan; het neerslag wordt daarna met water uitgewasschen en vervolgens opgelost in water met een weinig alkali; de reactie behoeft hierbij niet alkalisch te worden; uit deze oplossing kan de nucleine door toevoeging van niet al te geringe hoeveelheden alkali- of aardalkalizouten neergeslagen worden. Het neerslag lost in overmaat van deze zouten niet op.

De door calcium-, baryum- of magnesiumzouten gepraecipiteerde nucleine is oplosbaar in alkaliën, onoplosbaar in water; door uitwasschen met water kan dus bv. de met CaCl2 neergeslagen nucleine van overtollig CaCl2 bevrijd worden. In de asch van de op deze wijze van CaCl2 bevrijde nucleine vindt men dan eene groote hoeveelheid calcium, waaruit blijkt, dat de metCaClj neergeslagen nucleine eene calciumverbinding is.

Volgens eene andere methode, nl. door het nucleohiston te splitsen met Ba (OH)2 of Ca (OH)2 , verkreeg Lilienfeld de baryum- resp. calciumverbinding van de nucleine.

Wanneer de met 0.8 °/0 HC1 bereide nucleine opgelost wordt door middel van natronloog, ontstaat het natriumzout; voegt men aan deze oplossing natriumchloride in niet te geringe hoeveelheid toe, dan praecipiteert het nucleine-natrium; door uitwasschen met water kan het neerslag langzamerhand weer opgelost worden. Hieruit blijkt dat de verbinding van nucleine met natrium oplosbaar is in water, doch onoplosbaar in zouten; het eenige verschil met nucleohiston-natrium is, dat deze laatste verbinding in overmaat van zouten oplost. Hetzelfde geldt voor de kalium- en ammoniumverbindingen.

Wordt de met 0.8 °/0 HC'l bereide nucleine in water met een weinig alkali opgelost en vervolgens met

Sluiten