Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d. 3 c.c. plasma | ... J

6 c.c. water I flmke stolhng na ± 14 uren

e. 3 c.c. plasma ) na een kwartier is een stevig 9 c.c. water ) stolsel ontstaan

f. 3 c.c. plasma |

12 cc water J n e stollinS na een kwartier.

Uit deze proeven blijkt, dat de grens van verdunning waarbij het plasma stolt, ligt tusschen een en twee c.c. water op 3 c.c. plasma, dus bij een gehalte aan CaCl., van ongeveer 0.75 a 0.6 °/0 CaCl2, terwijl bij een gehalte van 0.25 en 0.2 °/0 CaCl2 zeer snel stolling ontstaat.

Ook hier ziet men dus, dat de stolling het snelst en het best tot stand komt bij dat gehalte aan CaCl 2, waarbij het nucleoproteide uit bloedserum uit eene overigens zoutvrije oplossing neergeslagen wordt. Bij een gehalte van 0.75 °/0 CaCl,, waarbij het door calciumchloride neergeslagen nucleoproteide zoo goed als geheel opgelost is, blijft de stolling achterwege.

Men heeft wel betwijfeld of het fibrineferment inderdaad een nucleoproteide is en gemeend, dat het misschien eene stof was, waarmede het nucleoproteide voortdurend verontreinigd was. Uit de bovenstaande proeven volgt, dat zoowel het nucleohiston als het nucleoproteide uit bloed zich ten opzichte van kleinere en grootere hoeveelheden CaCl, gedragen op eene wijze, die volkomen vergelijkbaar is met de wijze waarop het fibrineferment zich gedraagt bij toevoeging van kleinere of grootere hoeveelheden CaCl,.

Wanneer in eene overigens zoutvrije oplossing van nucleohiston of van het nucleoproteide geen calciumzout

Sluiten