Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

discussiën, waarbij vooral de vraag over den eigendom der weiden ter sprake kwam. In 1837 ') kwam eindelijk eene overeenkomst tot stand tusschen de stad en de coniinissie voor de.weiden; deze luidt als volgt:

„1°. De stad zal nimmer wederom eenen Steenoven op de Stadsweide mogen hebben of de klei van de weide aan eenen anderen Steenoven ter uitgraving toestaan.

2°. De stad staat aan de weiden af ten einde op dezelfde wijze als de overige Stadsweiden gebruikt te worden het land van den Steenoven bij het kadaster bekend onder Seet. I) N°. 244a, 245, 245a, 245?», 246, 248, 249, 250 en 251, de tweede vrucht bij het kadaster bekend onder Sect. I) X°. 265, en de derde vrucht bij het kadaster bekend onder Sect. I) X°. 266, zijnde deze stukken land tot nog toe ten behoeve van de stedelijke kas verpacht geweest2).

3°. I >e weiden staan daarentegen aan de Stad af, ten liehoeve van de Stedelijke kas, het land van de Bergweide tusschen den straatweg naar Zutphen, de molen en den IJssel bij het kadaster bekend onder Sectie C X°. 38, 61 en 61a met den aankleve van dien.

4°. De stad blijft in het genot van het regt, voorheen door den pachter van den steenoven uitgeoefend en thans in het bezit van de stad, om drie koeyen en drie paarden

1) Besluit van 10 Out. 1W37.

Ouder vruelit verstaat men een ihior een sloot, rikwerk of andere omheining afgesloten stuk land, met het doel om 't vee er buiten te houden. Ken dergelijke vrucht had de stad in het moerassige deel van de Marsch bij de oude bedding van den Usel. Vroeger diende dit tot onderhoud van de stadspaarden, na 1694, in welk jaar deüe paarden werden afgeschaft, werd het jaarlijks ten behoeve van de stadskas verpacht. Deze vrucht was in 0 stukken verdeeld.

Sluiten