Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren dan de officianten als weidegerechtigden verdwenen; af en toe komt het later nog wel voor, dat men aan iemand voor een jaar de weide toestaat uit hoofde van zijn betrekking; zoo b.v. in 1659 mag een zekere Roelf, die de Bergpoort schoonmaakte, een paard opdrijven. Het stadrecht van 1642 rept dan ook van de officianten niet moer; alleen nog maar een kleine reminiscens aan den gevoerden strijd vinden we in art. 10 van den 7deu titel: „die Tichelers op den Marsch sullen mogen opbranden 3 Koeyen ende 3 Peerden, sonder haer Weyde aan jemant te mogen verpachten

Niet ieder burger was tot opdrijven gerechtigd; men moest hiertoe aan zekere vereischten voldoen. Men moest in de eerste plaats zijn vaste gevestigde woonplaats binnen Deventer hebben: fixum domicilium noemen de resoluties hetJ). Zeer duidelijk spreekt de resolutie van 22 'Juli 1688: „Schepenen ende Raedt hebben na voorgaende deliberatie goetgevonden en verstaen, dat die gene, soo binnen dese stadt met haer huishoudinge en familie niet wonen, dogt alleen maer een camer of vuur en ligt houden en een ander wegh haer fixum domicilium hebben, niet tegenstaende deselve groote burgers mogten sijn, deser stadtsweiden met koejen off peertien niet sullen mogen bedrijven, waernae de weidegreven mits desen worden gelast sich jaerlix te sullen reguleeren."

Zoo zegt ook reeds een concordaat van 15452): „die gheen

1) Niemand hij zij wie hij wil zal zijn koeien op Stadsweiden moogen drijven, tenzij dezelve zijn fixum domicilium alhier heeft. res. 5 Mei 1688.

2) Concordaat 11 Febr. 1545. Het beginsel stamt zeer zeker al uit de oude inarke-tijden.

Sluiten