Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aflegden M bij de aanvaarding van hun ambt: „dat gij den toorn trouweliken hoeden ende waeren sullen tot onser Stad behoef, gelyck juw dat bevalen is, ende dat gij ghiene beesten meer hebben en sullen op der Stad weyde dan als Scepenen ende Raet dair van averdragen sijn, ende beschryven hebben laeten; ende of gy ennieh ongewaert goet op der weyde vernemen, ende ymant ennieh holt houwe of breke, of schade dede in der wrucht, dat gy dat by juwen weten den Burgermeister in der tijt anbrengen sullen. Dat juw Got soe helpe." -Ja zelfs de tichelers hadden dit toezicht, gelijk eveneens blijkt uit den eed, die zij aflegden *). Toen in later tijd de versterkte torens gewone boerderijen geworden waren zal deze taak van de pachters wel vervallen zijn.

In hun plaats kwamen toen zeker de schutters, vier in getal, die oorspronkelijk door de magistraat, later door de weidegreven uit den raad wérden aangesteld. Zij moesten behulpzaam zijn bij het opbranden van het vee, des nachts de wacht houden, ongewaard vee schutten, de melkpalen verzetten, het vee, zoo noodig van de eene op de andere weide drijven, en meer dergelijke bezigheden verrichten. Zij genoten elk een tractcment van 75 gulden3). Verder waren er nog aandrijvers; zij werden dooi' de grootburgers aangesteld en hun taak was om tweemaal per dag het vee naar de melkplaatsen te drijven. Zij dateeren van 1617 4); toen toch stelden Schepenen en Raad voor om, daar de burgers dagelijks hunne dienstboden, die uit

1) Zie Dunibar K. en W. Deventer i>ag. 160.

2) Ik heb dezen eed vroeger al vermeld; zie dissertatie pagina 6.

s) Zie rekeningen weidegreven.

*) Concordaat van 16 April 1617.

Sluiten