Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stad beschikte hier dus over klei en hout als over haar eigendom. Waren de weiden van een aparte corporatie geweest, dan had ook deze het contract met den ticheler moeten sluiten.

Een tweede bewijs voor het eigendomsrecht van de stad is te vinden in den strijd welke omstreeks 1530 met Karei van Egmond, hertog van Gelderland, ontstond over de weiden. Een enkel woord over dezen twist. Nadat Overijsel in het jaar 1528 keizer Karei Y als heer had erkend, liet Karei van Egmond nog steeds niet na, dit gewest en met name Deventer vooral, te kwellen. Hij daagde Deventer voor den drost van de Yeluwe, daar hij eigendom beweerde te hebben aan de twee marschen, de hooge marsch (n.1. de Marsch of Bolwerksweide) en de lage marsch (de Oortmarsch). Zijn aanspraak grondde hij op de bewering, dat de geheele rivier de IJsel hem toebehoorde en dientengevolge ook genoemde marschen als aanslibbingen van deze. Deventer bleef het antwoord niet schuldig: de stad had de hooge marsch meer dan vijfhonderd jaren en boven aller mensehelijke heugenis rustig bezeten en daarop versterkingen en woningen gehad; eveneens betwistte de stad, dat voorzegde gronden onder de jurisdictie van het hertogdom zouden liggen; zij stonden, en hadden steeds gestaan, onder jurisdictie van Deventer; de personen, die er woonden, behoorden tot het kerspel van Deventer en de stad had op de Marsch menschen gepakt en te Deventer gevonnist; en steeds was naar menschen heugenis de overheid over de Marschen bij de stad geweest. Het gevolg was, dat in 1529 een rechtsdag in Voorst gehouden werd, waar een gevolmachtigde van den keizer verscheen, die

Sluiten