Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt, maar vóór Wicquefort het verklapte, beschouwde de regeering het niet als een ongehoorzaamheid, eerder als een domheid. Het is te begrijpen dat de Thou vertoornd was op Wicquefort, toen hem de gevolgen voelbaar werden van de voorstelling, die deze aan het geval gegeven had, en dat zijn toorn ten top steeg, toen hij zich liet gezeggen, dat Wicquefort ook een ander verzuim van hem verklikt had. In 1660 namelijk had Boreel op een verlofreis aan Adriaan Yeth, afgevaardigde van Zeeland ter Generaliteit, verklaard, dat Mazarin in het geheim de ergste vijand dezer landen was. De Thou hoorde dit, maar verzweeg het voor den Kardinaal, die het uit een andere bron moest vernemen. Dit deed den beker overloopen; de Thou viel geheel in ongenade en weet het aan de babbelzucht van Wicquefort '), tegen wien hij een onoverwinnelijk wantrouwen had opgevat 2). Personen, die in vroeger dagen door Wicquefort met hem in kennis waren gebracht, Pieter de Groot bijv. 8), moesten in dit wantrouwen deelen. De Thou trok zich zijn terugroeping sterk aan. Zoo wij Wicquefort gelooven moeten, strooide hij booze geruchten uit over zijn opvolger d'Estrades en diens omgeving. Zoo werd een zekere Janvoi door Wicquefort in bescherming genomen tegen aantijgingen van de Thou. Doch al behoorde Wicquefort in zijne uitlatingen tegen den voormaligen gezant nimmer te vergeten, dat hij over een man van geboorte en aanzien sprak, bij Bernarts behoefde hij zich aan niets te

'J Ik geloof ten onrechte. In geen der Ars. van 1661 is er een bewijs voor te vinden, terwijl Wicquefort in die van 18 Jan. 1662 zegt, dat hij niet eer over Boreels uitlatingen geschreven heeft dan lang nadat de Kardinaal aan de Thou zijn zwijgen over dit punt verweten had.

■) Ar. 18 Jan. 1663: „Monsieur de Thou qui auroit trouué en moy la mesme sincerilé et le mesme zele pour les interests de la France que j'offre maintenant a Monsieur d'Estrades s'il eust pfl se resoudre a prendre quelque confiance en moy."

s) N. 8 Febr. 1663. P. de Groot, „je 1'auois autrefois donné a Monsieur de Thou et je scay qu'il ne s'en est pas mal trouué au eommencement de son ambassade, mais il a pris plaisir a rompre auec luy, comme auec plusjeurs autres."

Sluiten